Het Kerstcadeau: Old Spice after shave, of ik dat ken?

Wanneer ik de verzorgkamer van het uitvaartcentrum nader brengt een bekend luchtje me 40 jaar terug in de tijd. In mijn gedachten is het vaderdag en ik zie voor me hoe mijn vader het cadeautje dat ik bij de drogist in het winkelcentrum gekocht heb open maakt en hoe hij zich onder gespeeld enthousiasme overvloedig besprenkeld met Old Spice after shave. Het luchtje dat hij in die tijd dagelijks gebruikte. Een luchtje dat hoort bij mijn kindertijd.

De man op de verzorgtafel zou mijn vader kunnen zijn, dezelfde generatie en blijkbaar nooit gestopt met het gebruiken van Old Spice. Enkele uren later zit ik bij zijn dochter aan de keukentafel. In tranen verteld zij mij dat precies gebeurd is waar ze steeds zo bang voor was. Haar vader was gevallen.

Hoe vaak had ze hem niet gezegd hulp te accepteren nu zijn lichamelijke conditie zo achteruit ging. Maar steeds opnieuw had hij dit afgewezen. Eigenwijs was hij, zei ze. Iets van een ander aannemen deed hij niet. “Het is zijn dood geworden”, er klinkt iets van een verwijt én berusting in haar woorden.

Terwijl ze opstaat om thee te zetten valt mij de grote, versierde kerstboom op. Een klein in groen glimmend papier verpakt cadeautje eronder. De rode strik zit een beetje scheef. Ze ziet me kijken en begint opnieuw te huilen. Ze had het voor hem gekocht als kerstcadeautje. Old Spice after shave, of ik dat ken?

Hij moest onverwacht afscheid nemen van zijn Liesje.

Hij moest onverwacht afscheid nemen van zijn Liesje. De stille kracht in het gezin, de spil. Liesje die, terwijl hij topfuncties vervulde in het bedrijfsleven, zorgde voor de kinderen en het huishouden.

Sterk en krachtig was ze altijd al geweest en toen hij begon te dementeren was er geen haar op haar hoofd geweest die er aan dacht hem naar een verpleeghuis te laten gaan. Zij zorgde voor hem. Dag in, dag uit. En nu zij samen in de winter van hun leven aangekomen waren, had de dementie bezit van hem genomen en was hun relatie als die van een moeder met haar jonge kind.

Het noodlot sloeg toe in het grote huis waar zij nog altijd samen woonden. Liesje moest loslaten en hij vond haar. Ze werd thuis opgebaard. Daar lag ze op een bed in de huiskamer. Alsof ze sliep.

Bewoog ze nou niet even, vroeg hij me. Waarom mocht hij haar eigenlijk niet in de tuin begraven? Al was het maar voor even… Zou ze misschien toch nog iets kunnen zeggen? Wat is ze koud he, zei hij en liefdevol blies hij op haar handen om ze daarna warm te wrijven. Ze had altijd al een hekel aan koude handen.

Het regelen van de uitvaart liet hij aan de kinderen over. Zijn moeder en broer, voor wie hij hen aanzag, konden dat immers prima. Al zíjn aandacht ging naar Liesje. Dat ze was overleden was voor hem niet te bevatten.

Op de begraafplaats nam hij onaangekondigd het woord, als laatste spreker. Uit zijn binnenzak haalde hij een beschreven papieren zakdoekje. Een dankwoord wilde hij uitspreken. En dat deed hij, alsof hij jaren terug ging in de tijd, sprak hij zelfverzekerd, als man van de wereld zijn dankwoord uit. Hij vond het een heel geslaagde bijeenkomst. Jammer toch dat Liesje er niet bij kon zijn.

Bijna geruisloos kwam hij binnen, nog geen 20 jaar oud.

Bijna geruisloos kwam hij binnen, nog geen 20 jaar oud. Ik hoorde de geluiden van de straat, de auto’s, de wind, de blaffende hond van de buren verderop in de straat. Maar om hem heen was het stil. Een stilte die hem niet paste maar die hij droeg als een koningsmantel. Als een zojuist ingewijde.

Ik hoorde hoe ik mezelf aan hem voorstelde en hem condoleerde met dit enorme verlies. Het was alsof er een gesprek gevoerd werd buiten ons om, alsof er twee andere personen in de ruimte beleefdheden uitwisselden.
Ik voelde hoe de stilte ook deel van mij leek te worden. Hoe ik ieder moment dichterbij mocht komen. Samen stonden we aan de rand van een enorm meer. Zijn verdriet. Het verdriet van een jonge man om zijn veel te vroeg verloren moeder.

De geluiden om ons heen vervaagden, we stopten met praten. Hij keek naar het water en ik keek naar hem. Daar stonden we, onbekenden van elkaar, in een parallelle wereld waarvan de poort meestal voor ons gesloten blijft.
Tijdloze stilte werd doorbroken. Voetstappen kwamen dichterbij, de deur ging open. De warme stem van mijn collega nodigde ons uit om mee te gaan voor de verzorging. Hij keek me aan. Een blik van herkenning. Vertrouwen. Een brug geslagen, tussen twee mensen en twee werelden. Ik voel de tranen opkomen en laat ze stromen. Het is alles wat er is. Wat er écht is. En dat mag er zijn.

Onze moeder is omringd door allen die haar lief waren.

Sterven is een proces. Een gedeelte daarvan speelt zich binnen onze waarneming af en een ander gedeelte; daarover vertellen we elkaar verhalen.

Over de blik van herkenning die op het gezicht van tante Martha verscheen net voordat zij stierf. Over het horloge van vader dat stilstaat vanaf het moment van overlijden.

We weten maar weinig van wat zich afspeelt in de geest van de stervende of wat er gebeurd als de mens zijn laatste adem uitblaast.

Wij verzorgden de uitvaart van moeder voor een gezin dat haar het afgelopen jaar heel intensief verzorgd heeft. Zo kon zij tot het laatste moment thuis blijven.

De nacht dat zij stierf waakten de kinderen en hun partners bij haar. Moeder lag in de huiskamer op een hoog-laagbed. De machines waaraan zij aangesloten was maakten een vertrouwd en veilig geluid, haar zware en moeizame ademhaling er boven uit.

Op hun kermisbedjes om moeder heen vertelden zij elkaar verhalen van toen. Ze dronken wijn, herinneringen werden gedeeld en moe van alle emotie en de lange nacht vielen zij alle vier tegen de ochtend in slaap.

Waarschijnlijk was het slechts een half uurtje, toen werd als eerste de schoondochter wakker; van de stilte. Er klonk enkel nog het gelijkmatige geluid van de machines. Moeder ademde niet meer. Er tussen uitgepiept zeggen wij dan. Losgelaten.

“Onze moeder is omringd door allen die haar liefwaren vredig gestorven” krijgt dan betekenis. Net als; “zover we konden zijn we met je meegegaan, nu moeten we je laten gaan”. Sterven is een proces.

De dame die in de keuken koffie aan het zetten was ontroerde.

Jaren had ze voor hem gezorgd. Dat hij niet beter zou worden wisten ze allebei. Dat sterven zo lang kon duren niet. Dagen werden weken, weken werden maanden en maanden werden jaren. Jaren waarin voor hen beetje bij beetje alles veranderde.

De dame die in de keuken koffie aan het zetten was ontroerde me. Ze was kranig. Toen ik voor het eerst bij haar kwam stond het bed van haar man in de woonkamer. Daar had hij de laatste maanden van zijn leven doorgebracht en daar zou hij blijven tot de dag van de uitvaart.

Na de uitvaart werd het stil. Niet meteen maar iedere dag een beetje stiller dan de dag ervoor. Tot de stilte oorverdovend hard bij haar binnendrong. Terwijl ze de koffie opschonk zag ik haar schouders schokken. Ze vertelde dat ik het eerste bezoek in weken was op dit uur in de ochtend.

Toen haar man nog leefde was het juist ’s morgens een drukte van belang in huis. Terwijl de meisjes van de thuiszorg haar man verzorgden zette zij koffie. Er werd gepraat en ondanks alles gelachten. Ze miste ze zo, zei ze, die meisjes in de morgen die de buitenwereld mee naar binnen namen. Terwijl ze aan tafel ging zitten keek ze me door haar tranen heen aan, of ik geen haast had vroeg ze.