Vader was een markante, eigenzinnige persoonlijkheid. Hij had zijn leven geleefd, op zijn eigen wijze. Zeeën bevaren, liefjes gehad. De laatste jaren van zijn avontuurlijke levensreis was hij aan huis gekluisterd door gezondheidsproblemen én probeerde hij, zo goed en zo kwaad als het ging de relatie met zijn kinderen te herstellen.
Voor het bespreken van de uitvaart waren zij alle drie naar zijn woning gekomen waar hij opgebaard lag in zijn slaapkamer. De sfeer was gespannen. Dat zij allen een heel eigen beeld hadden van de man die hun vader was werd al snel duidelijk. Eén man, één vader en toch leken de drie kinderen het alle drie over een andere man te hebben.
Het was eieren lopen tijdens het gesprek. Er mocht veel niet gezegd worden, de spanning was om te snijden en verdriet en venijn om wat zo gewenst maar nooit geweest was hing als een loodzware deken over ons heen.
Een intensieve week volgde. Ik sprak alle drie de kinderen apart van elkaar en kreeg gevoel bij de achtergrond van de situatie. Het lukte stukje bij beetje om die deken wat van ons af te schuiven en er kwam lucht. Althans bij mij. Zij maakten zich zorgen over de dag van de uitvaart. De woorden die gesproken zouden worden: “Hoe moest dat toch?”.
Ik stuurde hen de dag voor de uitvaart het woord dat ik had voorbereid. De eerste reactie kwam van zijn zoon: “tranen in mijn ogen, precies raak”. Al snel volgden de reacties van de dochters: “we waren er zo bang voor maar jij hebt de juiste woorden gevonden. Nu kunnen wij in onze speeches ons richten op wat leuk en fijn was met hem”.
Na de uitvaart ontving ik een bericht: voor de kunstenaar met woorden stond er boven. Een gave noemden ze het. Ik was er stil van.