Hij raakte me, de man die ik aantrof op het bed in zijn studio. Om hem heen alles wat hij nodig zou kunnen hebben, binnen handbereik. Water, medicatie, zijn mobiel, het pakje shag met aansteker en asbak, de afstandsbediening van de televisie. Hij was begin dertig en sinds het ongeval dat hem voor altijd afhankelijk zou maken van anderen, was dit zijn wereld. In het begin kwam hij nog wel eens buiten maar met de jaren verslechterde zijn conditie en uiteindelijk raakte hij volledig aan bed gekluisterd. Afhankelijk van zorgmedewerkers en zonder enig perspectief op verbetering.
‘Dan wordt het wereldje klein en weet je wie je echte vrienden zijn’, was wat hij mij zei, wijzend op een foto van hemzelf en twee mannen bij hun motoren. ‘Dat waren betere tijden, het zijn de enigen die hier nog komen, en mijn ouders natuurlijk.’ Hij slikte een brok weg en vervolgde zijn verhaal. ‘Mijn vriendin heb ik weggestuurd, dit is toch geen leven zo, voor haar… ik geloof dat ze opgelucht was’. hij lachte cynisch. ‘Ze was in ieder geval snel weg.’
Hij wilde niet verder en enkele weken na ons gesprek verzorgde ik de uitvaart zoals we het besproken hadden. Het werd groots. Iedereen mocht komen. En de zaal zat vol, met familie, zorgmedewerkers, vrienden en vriendinnen van weleer, een juf van de basisschool, oud-collega’s, kroegmaten en buren. Op de eerste rij zijn ouders en de twee vrienden die tot het laatste moment bij hem waren. Met hem geproost hadden voordat hij voor altijd zijn ogen sloot.
Toen we bespraken hoe klein of hoe groot de uitvaart zou worden en hij aangaf dat het groots moest zijn vroeg ik hem waarom. Ik had in mijn gedachten al ingevuld dat het waarschijnlijk een kleine, intieme uitvaart zou worden. Te snel. Te vooringenomen. Blijven luisteren Nicole, blijven aansluiten. Het moest groots worden want hij had wel geleefd. Dat waren zijn woorden: ‘ik heb toch geleefd?!’ En iedereen op de dag van de uitvaart in de zaal zou daarvan bewijs leveren.